Home Financieel & Juridisch De woongroep maakt een comeback, en zo gek is dat niet

De woongroep maakt een comeback, en zo gek is dat niet

door admin

De woongroep is populair, maar het is nog niet zo makkelijk om er een te beginnen. Terwijl gemeenschappelijk wonen een hele hoop voordelen kan bieden: het is goedkoper en vooral gezelliger. Waarom maakt de overheid het dan zo ingewikkeld om er een op te zetten?

Peer Stevens en Ineke Stel wonen sinds het begin van de jaren negentig in een monumentale boerderij uit 1832, op een oud boerenerf met kersenboomgaard. Ze houden er een paar kippen, geiten en scharrelvarkens en bestieren een kleine natuurcamping en bed & breakfast. Hun schoonzoon vindt de plek al lange tijd geweldig. ‘Zoiets zou ik ook wel willen,’ zegt hij regelmatig.

En waarom kan dat eigenlijk niet, denken Peer en Ineke. Ze hebben drie volwassen kinderen, twee daarvan zouden met hun partner wel op de boerderij willen wonen. Dat betekent voor iedereen een goedkoper leven én de mogelijkheid om elkaar te helpen als dat nodig is. Naarmate Peer en Ineke ouder worden, zou het fijn zijn als iemand hun het zware werk uit handen kan nemen, of voor hen kan zorgen op hun oude dag.

Qua privacy hoeven de stellen niets in te leveren. De bed & breakfast op het terrein kan verbouwd worden tot volledige woning, in de boerderij zelf is plaats voor twee aparte woningen met eigen voorzieningen. En dus wordt op een familieweekendje in 2016 het besluit genomen om samen te gaan wonen.

ENORME BARRIÈRES

De situatie van Peter en Ineke is misschien bijzonder, maar niet uniek. In totaal zijn er tienduizend woongemeenschappen in Nederland, schat de Landelijke Vereniging voor Centraal Wonen (LVCW). In 2018 heeft de vereniging gegevens over ruim achthonderd woongemeenschappen, ruim driehonderd daarvan zijn projecten voor ouderen. En het gezamenlijk wonen groeit in Nederland, denkt de LVCW. Ze menen dat er jaarlijks honderd woongemeenschappen bij komen, veel meer dan er worden opgeheven.

Woongemeenschappen zijn een voorbeeld van burgerparticipatie, en dat hoort bij de participatiesamenleving die Nederland zou moeten zijn.

In een tijd waarin steeds meer eigen verantwoordelijkheid van de burger wordt verwacht, is gezamenlijk wonen helemaal niet zo’n gek idee. Het zou zelfs heel goed in deze tijd passen, zeggen voorstanders. Ouderen, zoals Peer en Ineke, moeten langer thuis blijven wonen, dus is het begrijpelijk dat zij dat liever doen met hulp om hen heen. Woongemeenschappen zijn een voorbeeld van burgerparticipatie, en dat hoort bij de participatiesamenleving die Nederland zou moeten zijn. ‘Het moment is nu,’ zegt Peter Boelhouwer, hoogleraar Housing Systems aan de TU Delft. ‘Als je kijkt naar tijdgeest en omstandigheden, zou je zeggen dat het gezamenlijk wonen meer zichtbaar zou moeten zijn.’

Zou moeten zijn, inderdaad. Want het ís het namelijk niet. En dat heeft wellicht te maken met het feit dat het ontzettend lastig is om een woongemeenschap te beginnen. Wie graag gezamenlijk wil wonen, blijkt in praktijk te stuiten op enorme barrières. Wat gaat er mis?

ZELFBESCHIKKING

Nederlandse voorbeelden van woongemeenschappen zijn er genoeg. Neem een project met twaalf woningen in Boxmeer, Noord-Brabant, waar mensen tussen de 62 en 82 jaar gracieus ouder kunnen worden door verschillende ruimtes te delen en op elkaar te letten. Of een boerderij in de kop van Noord-Holland, waarvan de laatste boerenzoon besloot een woon-werkcomplex met acht appartementen te maken. Alle bewoners dragen de zorg voor het land en de dieren.

En grootschaliger komt de woongemeenschap ook voor: in 1989 werd een nieuwbouwcomplex in Maastricht gebouwd als een soort mini-dorp, waarin de bewoners van de tachtig woningen samen eigenaar zijn van het pand en alle besluiten nemen die over het complex en de gemeenschappelijke ruimten gaan.

Met ‘de woongemeenschap’ wordt zowel het delen van één huis (de woongroep) bedoeld. Maar ook: een compleet eigen woning plus enkele gemeenschappelijke ruimtes of tuin (centraal wonen).

Het idee áchter het gezamenlijk wonen, of je het nu cohousing, collectief wonen of woongroep noemt, is hetzelfde gebleven: zelfbeschikking.

‘Wel hangt iedereen er weer een andere naam aan, en lopen die termen nogal eens door elkaar heen,’ zegt Peter Bakker, voorzitter van LVCW. Het idee om anders te gaan leven dan enkel in traditioneel gezinsverband ontstond in de jaren zestig, vertelt Bakker. Veel woongemeenschappen, niet zelden een uitvloeisel van kraakpanden, kwamen daarom tot stand in de jaren zeventig en tachtig. Soms was de reden om samen te gaan wonen praktisch van aard. Zo is delen vaak goedkoper. Zelf kunnen bepalen met wie je woont of met welk gemeenschappelijk ideaal speelt ook belangrijke rol.

Het gezamenlijk wonen heeft zich ontwikkeld. De communes of knusse woongroepen van dertig jaar geleden zie je nu veel minder. ‘Aan een kamertje hebben veel mensen niet meer genoeg,’ zegt Bakker. Maar het idee áchter het gezamenlijk wonen, of je het nu cohousing, collectief wonen of woongroep noemt, is hetzelfde gebleven: zelfbeschikking.

LOGEERKAMERS DELEN

Juist om die reden past het gezamenlijk wonen perfect in het ideaal van de participatiesamenleving, een term waarmee de burger sinds 2013 steeds om de oren is geslagen. Zelf verantwoordelijkheid nemen voor je leven en je omgeving – het idee achter de participatiesamenleving – is precies wat een bewoner van een woongemeenschap doet.

‘Het is de participatiesamenleving avant la lettre,’ zegt Bernard Smits, directeur van de Woningbouwvereniging Gelderland (WBVG). Deze woningbouwvereniging is anders dan de gemiddelde woningcorporatie: de vereniging heeft alleen collectieve woonprojecten in bezit, die ook nog eens zelf de panden beheren. Dat betekent dat bewoners zelf klussen en zelf nieuwe huurders uitzoeken. ‘Het maakt weer dat je samen dingen oppakt en organiseert,’ zegt Smits. En dat brengt voordelen mee. ‘Mensen zorgen veel beter voor hun woonruimte, ze letten op elkaar en maken het leven zo aangenamer,’ zegt Smits. ‘Bovendien kunnen ze goedkoper wonen omdat ze zelf een aantal taken uitvoeren, wat de verhuurder geregel bespaart. Hoe mooi wil je het hebben?’

Misschien zijn mensen die gemeenschappelijk wonen meer geneigd om maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, of misschien stimuleert samenwonen die verantwoordelijkheid.

Misschien zijn mensen die gemeenschappelijk wonen meer geneigd om maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, of misschien stimuleert samenwonen die verantwoordelijkheid juist. Bakker van de LVCW ziet in elk geval een duidelijke samenhang tussen de twee. ‘De laatste tien jaar zijn meer mensen het belang van bijvoorbeeld milieuproblematiek gaan inzien. Veel jonge mensen willen daarom nadenken over alternatieve vormen van wonen: moet het wel zo groot?’ De Tiny House-beweging is een hiervan goed voorbeeld, en gemeenschappelijk wonen een tweede. Zo staat in Lent, bij Nijmegen, het grootste compleet uit stro en leem opgetrokken gebouw van Nederland, niet toevallig beheerd door de WBVG. De bewoners van de 24 ecologisch gebouwde sociale huurwoningen wonen apart, maar toch samen. Ze delen hier onder meer hun logeerkamers, wasmachines en klusgereedschap.

TEGEN DE EENZAAMHEID

Voorbeelden van zulke maatschappelijk geëngageerde woongroepen te over, maar denk niet dat groepswonen alleen iets is voor de links-idealistische burger. Neem de huidige ontwikkeling als de vergrijzing, plus het feit dat ouderen langer op zichzelf moeten wonen. ‘Dat stimuleert het gezamenlijk wonen enorm,’ zegt Tineke Lupi. Ze is projectleider bij Platform31, een kennis- en netwerkorganisatie voor stedelijke en regionale ontwikkeling, die in opdracht van de overheid, welzijnsinstellingen en andere marktpartijen werkt. ‘Bejaardentehuizen bestaan gewoon niet meer,’ zegt ze. ‘Als je niet in je eentje op een flatje wilt zitten, ga je naar dit soort woonvormen toe.’‘Vooral mensen die in het huidige “gat” tussen sociale huursector en koopsector vallen, zouden baat kunnen hebben bij gezamenlijk wonen.’

‘Vooral mensen die in het huidige “gat” tussen sociale huursector en koopsector vallen, zouden baat kunnen hebben bij gezamenlijk wonen.’

En niet alleen ouderen zijn een goede doelgroep voor een gezamenlijk-wonen-project. ‘Vooral mensen met een middeninkomen, die in het huidige “gat” tussen sociale huursector en koopsector vallen, zouden baat kunnen hebben bij gezamenlijk wonen.’ Want vaak is het betaalbaarder.

En wellicht kan groepswonen nog een ander, groot maatschappelijk probleem oplossen: eenzaamheid. Zo’n 35 procent van de mensen tussen 19 en 34 mist betekenisvolle relaties met kennissen, collega’s, buurtgenoten of mensen met dezelfde belangstelling, blijkt uit cijfers van de GGD, het Centraal Bureau voor Statistiek en het RIVM. Dat percentage stijgt met het ouder worden tot meer dan vijftig procent onder 85-plussers. Menselijk contact is een logische reden om collectief te gaan wonen, een reden die door alle lagen van de bevolking heen wordt begrepen.

Bron: https://www.vn.nl/woongroep-gezamenlijk-wonen/

Tekst Marit Willemsen.Fotografie Winter Vandenbrink

related posts